Hoe je consistent meet
Dezelfde meting op twee verschillende momenten zegt alleen iets als je hem allebei de keren op dezelfde manier doet. Dit artikel gaat over houding, tijdstip en plek — niet over wat de cijfers betekenen.
Waar dit artikel over gaat
Dit artikel gaat over meten, niet over wat de cijfers betekenen. Het legt uit hoe je een meting zo doet dat je hem later kunt vergelijken: op dezelfde manier, op hetzelfde moment en op dezelfde plek.
Na het lezen weet je
- Wanneer en hoe je jezelf het best weegt
- Waar je het meetlint neerlegt voor borst, taille, arm en been
- Waarom consistent meten belangrijker is dan nauwkeurig meten
Lichaamsgewicht
Je gewicht schommelt binnen één dag makkelijk een kilo door water, zout en een volle of lege darm. Die schommeling heeft niets met vet- of spiermassa te maken, dus de truc is om steeds op hetzelfde punt in die schommeling te meten.
- Weeg 's ochtends, nuchter: na het toilet en vóór het eten of drinken. Dat is het meest stabiele moment van de dag.
- Gebruik zo mogelijk steeds dezelfde weegschaal en draag vergelijkbare kleding — een andere schaal of een dikke trui kan zelf al een kilo schelen.
- Kijk naar het gemiddelde over een week in plaats van naar één meting; op de voortgangspagina staat dat gemiddelde er al naast. Eén dag zegt weinig, een week wel.
Omtrekmetingen — de basis
Borst, taille, arm en been meet je met een meetlint. Een paar basisregels gelden voor alle vier: zonder die regels wijken twee metingen van jezelf makkelijk een centimeter af, terwijl er niets is veranderd.
- Meet op hetzelfde moment, het liefst 's ochtends — net als bij het gewicht is dat het rustigste punt van de dag.
- Het meetlint sluit aan maar drukt niet in de huid; te strak geeft een te laag getal, te los een te hoog.
- Eén keer per maand is vaak genoeg: deze cijfers veranderen langzaam, en vaker meten voegt vooral ruis toe.
Omtrekmetingen — per meting
Waar precies je het meetlint neerlegt, bepaalt wat je meet. Vier plekken, met de vaste landmark erbij.
- Borst: op de lijn van de tepels, armen ontspannen langs het lichaam, aan het eind van een gewone uitademing — niet met opgezette borst.
- Taille: ter hoogte van je navel, met een normale, ontspannen buik — niet inhouden.
- Arm: op het dikste punt van de boven- of onderarm. Gespannen of ontspannen mag allebei, zolang je het elke keer hetzelfde doet.
- Been: op het dikste punt van het bovenbeen. Bij voorkeur niet vlak na een beentraining — doorbloeding en vochtinname geven dan tijdelijk een te hoog getal.
Verder
Vul je metingen in op de voortgangspagina; de grafiek en het weekgemiddelde daar helpen je een losse uitschieter te onderscheiden van een echte verandering.